Religieus erfgoed

Odilia van Keulen en haar reliekschrijn: de realiteit achter een legende

25 februari 2021 Borgloon 572

Odilia van Brittannië

Odilia van Brittannië is een legendarische heilige uit de 4de – 5de eeuw na Christus. Zij was één van de duizenden maagdelijke gezellinnen die figureerden in de legende omtrent de ‘katholieke’ boodschap van de eveneens nooit bestaande heilige Ursula van Keulen. Odilia verwierf haar attributen (kroon, banier met kruis) tijdens een visionair optreden aan het eind van de 13de eeuw.

Het heiligenleven (legenda aurea) van Ursula van Keulen

Deze legende –een verhaal over vermeende feiten die zich in de 4-5de eeuw afspeelden– kreeg via mondelinge overlevering tussen de 10de (922) en de 13de eeuw geleidelijk vaste vorm en werd door theoloog en aartsbisschop van Genua Jacobus de Voragine (1228/29 – 1298) als volgt opgetekend.  “De heidense koning van Brittannië wilde Ursula, de beeldschone dochter van een Bretoense koning, overtuigen om te huwen met zijn zoon en troonopvolger. Tegen de wil van haar vader Deontus stemde Ursula, onder een resem voorwaarden, in met dit verzoek. De koning van Brittannië moest eerst 10 Britse maagden sturen, elk vergezeld van 1 000 andere maagden en bovenop nog eens 1 000 maagden voor Ursula zelf. Hij moest ook zorgen voor voldoende zeewaardige schepen waarmee het gezelschap van 11 000 vrome vrouwen –één van hen was Odilia van Brittannië– heen en weer op pelgrimstocht naar Rome kon reizen. Deze reis zou drie jaar in beslag nemen en zodoende de zoon van de Britse koning voldoende tijd geven om zich tot het christendom te bekeren en zo, als gedoopte, de waardige bruidegom van Ursula te worden. De vloot reisde via het Kanaal en het Nauw van Kales naar de Rijnmonding. Vervolgens voeren ze de Rijn van monding tot bron af met een tussenstop in Keulen. Daar verzocht een engel Ursula om op terugreis hier weer halt te houden om, samen met al haar reisgenoten, de martelaarskroon in ontvangst te nemen … op zijn minst een verontrustende mare. Vanaf de bron van de Rijn trok het leger maagden te voet over de Alpen en marcheerde vervolgens verder zuidwaarts naar Rome. Na hun audiëntie bij Paus Siricius vatte het gezelschap via dezelfde route de terugreis aan. Kwade tongen beweren dat de paus enkele stoere mannen meestuurde om de maagden te beschermen! Bij hun aankomst te Keulen werd de stad belegerd door de heidense Hunnen. Ook hun leider Attila vroeg de bloedmooie Ursula ten huwelijk. Toen ze dit weigerde werden alle maagden –ook de diepchristelijke Ursula werd door een pijl dodelijk getroffen– vermoord. Zie foto. De inmiddels tot het christendom bekeerde zoon van de Britse koning werd door de Goddelijke voorzienigheid op de hoogte gebracht en reisde in allerijl naar Keulen af. Maar ook hij stierf er de marteldood. Een hemels leger van Maagden zou de Hunnen tenslotte verdreven hebben. Eind goed, al goed!”N.v.d.r.: slechts twee figuren uit dit bloedig verhaal kunnen een historisch paspoort voorleggen. Siricius (334 – 399) was de 38ste paus van de Katholieke Kerk. Rebellenleider Attila de Hun leefde van ca. 406 tot 453.  

Met dergelijke krachtige legenden trachtte men in de 10-13de eeuw –toen heel wat gezaghebbende abdijen en kloosters gesticht werden– de doorgaans heidense bevolking tot het christendom te bekeren. Ook de straffe verhalen van de Haspengouwse mystica’s (Lutgardis van Tongeren, Christina Mirabilis en Jutta van Borgloon; dit trio is beeldig aanwezig aan de Loonse Sint-Odulphuskerk) kaderen in de beeldspraak van die tijd.

Keulen, West-Europese draaischijf van een bloeiende reliekenhandel!

De bedoeling van het 13de-eeuws literaire genre ‘legenda aurea’ indachtig, ligt het niet in mijn bedoeling het verhaal van Jacobus de Voragine aan historische kritiek te onderwerpen. Wel wil ik, specifiek met betrekking tot het Odiliaschrijn, de cruciale rol van Keulen even toelichten. Bij graafwerken voor de aanleg van de middeleeuwse omwalling rond dit strategisch bolwerk aan de Rijn stootte men in 1106 op knekels en skeletten waarbij men toen nog geen benul had dat het een Gallo-Romeinse begraafplaats uit de1ste-5de eeuw betrof. N.v.d.r.: ook rond Tongeren zijn dergelijke begraafplaatsen bekend. De disciplines geschiedenis, archeologie en ‘historische kritiek’ bestonden toen immers nog niet. De lugubere vondst werd wel geïnterpreteerd als dé missing link in heel wat verhalen zoals de legende van Ursula van Keulen: men had immers het massagraf van de onfortuinlijke 11 000 maagden-op-Romereis ontdekt! De visioenen van mystica Elisabeth van Schöngau (ca. 1129-64) hebben de toenmalige interpretatie onmiskenbaar kracht bijgezet. Vanaf 1113 ontstond vlak bij de romaanse Sint-Gereonskerk (www.stgereon.de) te Keulen –in die buurt situeerde zich de Gallo-Romeinse begraafplaats alias ‘maagdelijk massagraf’– een bloeiende handel in ‘relieken’ die prompt toegeschreven werden aan een schare heiligen maar in feite beenderresten waren van de Gallo-Romeinse bevolking in en rond Keulen. Wellicht zijn de schedelrelieken van de abdij van Herkenrode, die thans in het koor van de Hasseltse Sint-Quintinuskerk pronken, afkomstig uit deze Keulse necropool.

Odilia van Keulen: “Breng mij naar Hoei!”

Aanvankelijk (d.i. vanaf de 12de e.) werden de relieken van de H. Odilia, één van de 11 000 maagden uit het reisgezelschap van Ursula, in Keulen vereerd. Vandaar dat aan de naam van beide dames, alhoewel ze volgens de legende (supra) uit Bretagne en Brittannië afkomstig waren, ook ‘van Keulen’ werd toegevoegd. In 1621 schreef de Keulse kruisheer Banelus de volgende legende neer: “Aan het eind van de 13de eeuw kreeg een zekere Joannes van Eppa, een lekenbroeder uit het kruisherenklooster te Parijs, in een visioen van Odilia –ze droeg een staf met een banier waarop een kruisherenkruis stond (foto)– de opdracht om haar relieken van Keulen naar het pas opgerichte kruisherenklooster Clair Lieu (Locum Clarum) van Hoei over te brengen. Ze gaf meteen ook de coördinaten van de plaats waar ze destijds begraven werd: in de tuin van Arnulphus onder een perenboom!”.  Dit verzoek werd in 1287 door een delegatie kruisheren uitgevoerd. De jonge Hoeise kloostergemeenschap (het klooster Clair Lieu werd in 1211 gesticht door Theodorus van Celles, kanunnik van het Sint-Lambertuskapittel in Luik; tot 1789 fungeerde het als hoofdzetel van de kruisheren in de Lage landen, Frankrijk en Engeland) was immers op zoek naar inkomsten en beschouwde relieken van de populaire Odilia als een lonende investering die een stroom gulle bedevaarders zou opleveren. Odilia werd er o.m. aanroepen tegen oogkwalen. Gaandeweg ontpopte Odilia zich tot de belangrijkste heilige van de kruisheren; omstreeks 1500 werd ze patrones van de orde.

Bovenstaand schilderij visualiseert de verschijning van Odilia aan Joannes van Eppa. Het is een doek van de Luikse schilder Martin Aubée (1729-1805) die van 1764 tot 1777 in het kruisherenklooster van Colen verbleef. Het behoort tot een zestiendelige Odiliareeks die de muren boven het koorgestoelte van de laatgotische kloosterkerk sierde. Waar deze kunstwerken zich na de verkoop (2020) van het klooster/de abdij bevinden, is mij helaas niet bekend. Hij/zij die het weet/weten, mogen het mij altijd vertellen. En als ik niets hoor, zal ik geregeld het veilinghuis Sotheby’s raadplegen. Want een zaak weet ik wel: als het ergens thuis hoort dan is dat in de onmiddellijke buurt van het Odiliaschrijn … in de sacristie van de Sint-Odulphuskerk. We zullen zien.

Het Sint-Odiliaschrijn … Vlaams topstuk

In 1292 werden de Odilia-relieken opgeborgen in een houten schrijn. De Odilia-cultus te Hoei startte onder prior Joannes Rijck van Cuyck. Het schrijn is 80cm lang, 34cm breed en 24cm hoog. De buitenwanden zijn door een onbekende Luikse schilder met temperaverf kleurrijk beschilderd met taferelen die enerzijds refereren aan de ‘legende aurea’ omtrent de H. Ursula (4-5de e.), anderzijds aan de opgraving en overbrenging (1287) van de Odilia-relieken van Keulen naar Hoei. Ursula en/of Odilia zijn doorgaans herkenbaar aan hun kroon. Meestal zijn de hoofden in vergelijking met de rest van het lichaam te groot afgebeeld; de vingers zijn abnormaal lang. De gelaatstrekken zijn stereotiep en tonen nagenoeg geen emotie. Picturaal staat de techniek aan de wieg van een middeleeuwse kunststroming die in de 15de eeuw met de zgn. Vlaamse primitieven zijn climax bereikt. Het Odilia-reliekschrijn is (één van) de oudste paneelschilderij(en) van de Lage Landen; de Vlaamse overheid honoreerde dit in 2013 door het te plaatsen in de selecte lijst ‘Vlaamse topstukken’.

Odilia, reislustig over haar dood heen!

Het schrijn bleef tot aan het eind van de 18de eeuw dé publiekstrekker van het Hoeise klooster Claire Lieu. Na de opheffing van dit kruisherenklooster in de marge van de Luikse Revolutie (1789) smokkelde kruisheer Lambertus Haywegen, afkomstig uit Borgloon, de wonderdadige kist naar zijn geboortestad. In Kerniel, thans een deelgemeente van Borgloon, was er immers ook een kruisherenklooster … het klooster van Colen. Hij had vernomen dat enkele kruisheren aldaar, eens de antiklerikale storm van de Franse Revolutie geluwd zou zijn, een doorstart overwogen. Omdat dit plan echter mislukte schonk hij het schrijn aan de Sint-Pantaleonkerk van Kerniel. Daar werd het aan het eind van de 19de eeuw behoorlijk verminkt. Omdat het niet paste in de voorziene opbergruimte, werden stukken van de panelen boudweg afgezaagd. Dit verklaart o.m. de onnatuurlijk platte nok van het dak want het oorspronkelijk concept was gebaseerd op een sober romaans zaalkerkje met een zadeldak. In 1910 ‘herontdekten’ leden van de Provinciale monumentencommissie het bestofte en compleet verwaarloosd schrijn op de zolder van de pastorie van Kerniel. (Pas) in 1933 verhuisde het naar het voormalig kruisherenklooster dat in 1830 tot een klooster (abdij vanaf 1990) voor zusters cisterciënzerinnen getransformeerd was. De zusters hebben de kruisherenrelikwie die hun in de schoot geworpen werd gedurende 87 jaar met de grootste zorg en toewijding gekoesterd en ze met enthousiaste fierheid getoond aan en gedeeld met x-maal ‘11 000’ cultuurtoeristen. Na de schielijke dood (2020) van deze abdij en de trieste vlucht van de twee laatste zusters –dit is helaas geen legende!– gaf het bisdom Hasselt het Sint-Odiliaschrijn in langdurige bruikleen aan de Sint-Odulphuskerk van Borgloon … de volgende tussenstop in het verhaal van de reislustige Odilia?

De legende onder de wetenschappelijke loep ontleed

In de loop der tijd werd het verzegeld reliekschrijn meermaals geopend om stukjes en splinters van beenderresten weg te nemen en deze als relikwie aan andere religieuze gemeenschappen en kerken te schenken of te verkopen. De voorlaatste keer gebeurde dit in 1949 op vraag van kruisheren uit Maaseik en Diest. Op 9 maart 2016 werd het schrijn –het bevond zich toen nog in de sacristie van de kapel van de abdij van Colen– in aanwezigheid van Patrick Hoogmartens, bisschop van Hasselt, en onder massale persbelangstelling voor het laatst geopend. De materiële inhoud –beenderresten en textiel– werden bemonsterd om nadien wetenschappelijk en met moderne technieken onderzocht en gedateerd te worden. Dit was voordien nog nooit gebeurd. In het schrijn liggen beenderresten van 15 verschillende personen waarvan twee mannen en dertien vrouwen. Volgens radiokoolstofdateringen leefden deze mensen tussen 120 en 540 na Chr., voornamelijk in de 3de en 4de eeuw van onze tijdrekening … de ultieme en bevrijdende bevestiging van het vermoeden dat de relikwieën menselijke restanten van een Gallo-Romeinse begraafplaats zijn! Dit doet echter geen enkele afbreuk aan de boodschap die de diverse auteurs van de ‘11 000-maagden-legende’ wilden brengen. Bron. “Wat zit er in de kist? De inhoud van het Sint-Odiliaschrijn van Kerniel wetenschappelijk onderzocht”. Jeroen Reyniers. Monumenten, Landschappen en Archeologie. 2019-Jg 38/6.

Praktisch

Het Sint-Odiliareliekschrijn is enkel te bezichtigen in groepsverband én onder leiding van een bevoegde gids. www.borgloon.be/toerisme.

 

 

Lapis, mors-abolescens.
25 februari 2021


Scroll to Top
Scroll to Top